VEENENDAAL - De rechtbank spreekt een 33-jarige man uit Veenendaal vrij van ontucht met twee voormalige cliënten. Volgens de rechtbank ontbreekt het aan voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een veroordeling te komen voor beide feiten.

De man heeft de hem tenlastegelegde feiten ontkend. In zaken als deze, waarin de verdachte de beschuldigingen uitdrukkelijk ontkent en er feitelijk sprake is van een één‑op‑één situatie zonder getuigen, is de rechtbank extra behoed bij het beoordelen van het bewijs . In de kern komt het erop neer dat een veroordeling niet uitsluitend mag steunen op de verklaring van een aangeefster, maar dat die verklaring voldoende steun moet vinden in ander betrouwbaar bewijs.


Verklaring van mevrouw A onvoldoende betrouwbaar

De rechtbank ziet mevrouw A als een kwetsbare vrouw met een forse verstandelijke beperking en complexe persoonlijkheidsproblematiek, onder meer tegen de achtergrond van eerder seksueel misbruik. In haar uitlatingen noemt zij verschillende personen, onder wie (voormalige) medewerkers, door elkaar en ook beschrijvingen van gebeurtenissen lopen in tijd door elkaar. Daardoor is niet goed te onderscheiden wat, en door wie, precies gebeurd zou zijn.
Daarnaast spreekt A over zeer extreme en gewelddadige seksuele handelingen waarvoor in het dossier geen steunbewijs is aangetroffen, zoals objectief vaststelbaar letsel of waarnemingen van bloed. In het studioverhoor noemt zij de naam van de verdachte niet spontaan en geeft zij regelmatig antwoorden die geen duidelijk verband houden met de vragen. De rechtbank concludeert dat het geen heldere, door haarzelf gestuurde en consistente verklaring betreft en acht haar verklaring in haar geheel onvoldoende betrouwbaar en geloofwaardig om aan het wettig en overtuigend bewijs te kunnen bijdragen.


Twijfels bij verklaring van mevrouw M

Ook de verklaring van M, bij wie eveneens sprake is van een verstandelijke beperking en problematiek, vertoont volgens de rechtbank relevante inconsistenties. De verklaring van een medewerker van de woongroep in Druten, getuige B, vergroot die twijfels. B verklaarde dat mevrouw M hem sprak over een oud‑collega met een naam die op die van de man lijkt, met wie hij zelf nooit zou hebben samengewerkt. Uit het dossier blijkt echter dat B en de man wel degelijk, en gedurende langere tijd, gelijktijdig bij de woongroep hebben gewerkt.
Voor de rechtbank is het daarmee niet onaannemelijk dat B in zijn verklaring naar een andere persoon verwijst dan de verdachte. Dat maakt dat de rechtbank twijfelt aan wat er tussen M en de verdachte zou hebben plaatsgevonden.


Onvoldoende steunbewijs

Naast de problemen met de verklaringen van mevrouw A en mevrouw M, stelt de rechtbank vast dat voldoende ondersteunend, objectief bewijs in deze zaak ontbreekt. Er zijn geen getuigen met eigen waarnemingen van de emotionele of fysieke toestand van de vrouwen tijdens of kort na de vermeende feiten. Ook uit de beschreven gedragsveranderingen kan de rechtbank geen doorslaggevende steun voor de verdenking halen: bij A trad de waargenomen gedragsverandering niet kort na de vermeende incidenten op en bij M is in het geheel geen relevante gedragsverandering vastgesteld.
Alles bij elkaar genomen is er onvoldoende wettig bewijs en ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging dat de verdachte de hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.